Whatsapp: 0651133287 | Kantoor: 0485-540284 | E-mail: info@aajadvies.nl

Welke eisen gelden voor de RI&E

In dit artikel leggen we, op basis BIM Arbozorg d.d. 05-02-2019, uit welke criteria de inspectie SZW hanteert bij het beoordelen van een RI&E.
Hay Janssen
Hay Janssen

Onze doorgewinterde veiligheidskundige met jarenlange ervaring op het gebied van RI&E's, machineveiligheid en veiligheidsbeleid. Zijn sterke punten zijn het verbeteren van veiligheidsgedrag bij organisaties en het vaststellen van structuren, procedures en werkvoorschriften. Daarnaast weet hij als auditor alles van managementsystemen. Hay is gecertificeerd Hoger Veiligheidskundige (HVK met registernumer 36554)

Inleiding

In februari 2019 heeft inspectie SZW een nieuwe BIM (BasisInspectieModule) Arbozorg gepubliceerd. Op basis van deze BIM doet inspectie SZW de Arbozorg handhaven bij de bedrijven.

De RI&E van bedrijven moet dus simpel weg minimaal aan deze voldoen.

Inspectie SZW gaat bij de handhaving uit van de arbobeleidscyclus. Deze beleidscyclus gaat uit van het geheel van inventariseren van de risico’s en het nemen van maatregelen tot het evalueren en bijstellen van het arbobeleid. Dit is met inbegrip van de preventieve adviezen van gecertificeerde deskundigen (Bedrijfsarts, HVK, A&O en AH) maar ook van de preventiemedewerker. Al deze betrokkenen zijn verplicht om samen te werken met elkaar!

Bron: BIM arbozorg Inspectie SZW

Beoordelen documenten door SZW

Allereerst toetst de inspectie SZW of een RI&E én plan van aanpak aanwezig is.

Als een bedrijf geen RI&E heeft of geen plan van aanpak heeft is dit direct beboetbaar door SZW, zie artikel 5 lid 1 van de Arbowet.

Beoordelen van de werkplek

De toetsing van een RI&E houdt het volgende in:

  1. Toetsing van de RI&E, inclusief Plan van aanpak
  2. Advisering over de inhoud van het plan van aanpak.

Een toetser mag alleen akkoord gaan als een RI&E compleet is. Bij de toetsing van het plan van aanpak gaat het niet over de prioritering of budgetten in het plan van aanpak.

Wanneer een RI&E nodig?

Alle bedrijven moeten ongeacht de omvang van het bedrijf een RI&E hebben.

Kleine bedrijven met minder dan 40 uur per week werknemers (alles bij elkaar opgeteld) hoeven alleen de “Checklist gezondheidsrisico’s” in te vullen.

Vrijwilligersorganisatie moeten een RI&E hebben als ze werken met gevaarlijke stoffen en/of biologische agentia. Als de werkzaamheden ernstige risico’s met zich meebrengen blijven de voorschriften uit het arbeidsomstandighedenbesluit van toepassing. Bij deze risico’s zijn veiligheidsinstructies, voorlichting en het beschikbaar stellen van veilige arbeidsmiddelen en beschermingsmiddelen voldoende voor de vrijwilligersorganisatie.

Eisen toetsing RI&E

De toetsing van de RI&E moet worden uitgevoerd door een gecertificeerde deskundige ( bedrijfsarts, HVK, A&O of AH). Zie hiervoor de registers van de betreffende deskundigen.

De toetsing van een RI&E houdt het volgende in:

  1. Toetsing van de RI&E, inclusief Plan van aanpak
  2. Advisering over de inhoud van het plan van aanpak.

Een toetser mag alleen akkoord gaan als een RI&E compleet is. Bij de toetsing van het plan van aanpak gaat het niet over de prioritering of budgetten in het plan van aanpak.

De toetser moet advies geven over de inhoud van het plan van aanpak op basis van de RI&E. Dit advies staat los van de toetsing.

  1. De toetsing is niet verplicht als een van de volgende criteria wordt voldaan: Het bedrijf heeft 25 of minder werknemers en maakt gebruik van een erkende branche RI&E.
  2. Een vrijwilligersorganisatie met uitsluitend vrijwilligers.
  3. Een bedrijf met betaald personeel voor in totaal ten hoogste 40 uur per week.

Specifieke onderdeel/onderwerp RI&E

Er zijn géén wettelijk voorgeschreven bepalingen voor het toetsen van een specifiek onderdeel/onderwerp van de RI&E door een specifieke gecertificeerde deskundige. Het is dus niet zo dat bijvoorbeeld een machine-RI&E verplicht door een gecertificeerde veiligheidskundige opgesteld/getoetst moet worden of een RI&E voor Psycho Sociale Arbeidsbelasting door een gecertificeerde A&O’er, hoewel dit misschien wel voor de hand zou liggen.

Inhoud van de RI&E en plan van aanpak

De RI&E moet alle realistische risico’s omschrijven, alle mogelijke gevaren en risico’s omschrijven is niet mogelijk. Als een gevaar niet leidt of kan leiden tot een kans op schade of letsel (er is dan dus geen risico), hoeft dit niet specifiek opgenomen te worden in de RI&E, tenzij een nadere inventarisatieverplichting dat voorschrijft. In de RI&E moet omschreven zijn om welke risico’s het gaat, waar die betrekking op hebben (werkplek, afdeling, machine of functie).

In het plan van aanpak zijn concrete werkplek maatregelen en termijnen voor elk risico omschreven. “nader onderzoek” is geen concrete maatregel, de RI&E is dan onvolledig.

Daarnaast geldt dat er voor het opheffen van ernstige risico’s geen termijnen opgenomen kunnen zijn in een PvA. Betreffende maatregelen (bijvoorbeeld bij
ernstig gevaar) mogen immers niet gepland worden, maar moeten meteen worden getroffen. Als een arbodienst of een kerndeskundige een ernstig risico vaststelt, kan dit weliswaar zijn opgenomen in het PvA, maar dient als termijn ‘direct’ te worden gehanteerd.

Beoordelen RI&E en deskundige bijstand

Ook de passages over de “deskundige werknemers” uit artikel 13 van de wet moeten in de RI&E beschreven zijn. In de RI&E moet zijn beschreven hoeveel preventiemedewerkers er nodig zijn om deze taken uit te
voeren (dan wel dat de werkgever deze taken zelf uitvoert; dat is alleen toegestaan bij organisaties met minder dan 26 werknemers). Ook moet de benodigde kennis en capaciteit/tijd voor het uitvoeren van deze taken zijn aangegeven.

Preventiemedewerker aan het werk

In de RI&E moet aandacht worden besteed aan de preventiemedewerker. De volgende vragen moeten worden beantwoord:

  1. Welk kennis/opleidingsniveau is noodzakelijk?
  2. Hoeveel tijd heeft de preventiemedewerker nodig om zijn/haar taak goed uit te kunnen voeren?
  3. Is er instemming gegeven door de OR, of was de preventiemedewerker in dienst voor de nieuwe Arbowet van 2017?
  4. Is de samenwerking met de overige deskundige ondersteuners goed geregeld?

Beoordelen voorlichting en evaluatie beleid

Ten minste de volgende zaken moeten regelmatig/periodiek getoetst (op effect), geëvalueerd en indien nodig
bijgesteld worden:

  • de RI&E en de uitvoering van alle afzonderlijke maatregelen uit het PvA;
  • het proces en de uitvoering van alle afzonderlijke elementen van het basiscontract;
  • de inzet (benodigd(e) tijd, budget en deskundigheid) van de bedrijfsarts en preventiemedewerker.

Nadere inventarisatieverplichtingen

Gevaren/risico’s waarvoor een nadere inventarisatieverplichting geldt, moeten altijd zijn beschreven in de RI&E.
risico's inschattenIn het Arbobesluit zijn voor de volgende onderwerpen nadere voorschriften voor de Risico-Inventarisatie en -Evaluatie gegeven:

  • Jeugdigen (artikel 1.36);
  • Zwangere werknemers (artikel 1.41);
  • Psychosociale arbeidsbelasting (artikel 2.15);
  • Voorkoming en beperking van zware ongevallen
    met gevaarlijke stoffen (afdeling 2 van hoofdstuk 2
    en artikel 9.34);
  • Explosieve veiligheid (artikel 3.5c);
  • Gevaarlijke stoffen in het algemeen (artikel 4.2);
    • Aanvullende registratie gevaarlijke stoffen
      (artikel 4.2a);
    • Kankerverwekkende of mutagene stoffen en
      kankerverwekkende processen (artikel 4.13);
    • Biologische agentia (artikelen 4.85 en 4.97);
  • Fysieke belasting (artikel 5.3 b);
  • Beeldschermwerk (artikel 5.9);
  • Lawaai (artikel 6.7);
  • Kunstmatige optische straling (artikel 6.12d);
  • Trillingen (artikel 6.11b en 6.11c);
  • Persoonlijke beschermingsmiddelen (artikel 8.2).

PAGO / PMO

Volgens artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet is de werkgever verplicht de werknemers periodiek in de gelegenheid te stellen een onderzoek te laten ondergaan, dat erop is gericht de risico’s die de arbeid voor de gezondheid van de werknemers met zich brengt, zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
We noemen dit het periodiek arbeidsgezondheidskundig
onderzoek (PAGO).

Het PAGO kan een onderdeel zijn van een PMO (Periodiek Medisch Onderzoek). Het PMO is een breder onderzoek dat zich zowel richt op de invloed van arbeid op de gezondheid als de invloed van gezondheid op arbeid.
Het PAGO moet worden aangeboden als:

  1. PAGO is opgenomen in de arbocatalogus van de branche;
  2. De onderstaande risico’s uit het Arbobesluit van toepassing zijn:
    • Jeugdigen (artikel 1.38)
    • Nachtarbeid (artikel 2.43)
    • Gevaarlijke stoffen (artikelen 4.10a t/m c)
    • Kankerverwekkende of mutagene stoffen en kankerverwekkende processen (artikel 4.23)
    • Biologische agentia (artikelen 4.85 lid 1 onder d,4.91, 4.96)
    • Beeldschermwerk (artikel 5.11)
    • Lawaai (artikel 6.10)
    • Trillingen (artikel 6.11e)
    • Kunstmatige optische straling (artikel 6.12g)
    • Elektromagnetische velden (artikel 6.12n)\
    • Duikarbeid, caissonarbeid en overige arbeid onder overdruk (artikel 6.14a)
    • Ioniserende straling (Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming, artikel 7.21)

Beoordeling basiscontract

Volgens de wijziging in de wetgeving die op 1 juli 2017 is ingegaan, moet het Basiscontract voldoen aan de onderstaande 11 criteria:

  • Op schrift gestelde overeenkomst tussen de werkgever en een gecertificeerde arbodienst (vangnetregeling), of een BIG-geregistreerde bedrijfsarts en/of gecertificeerde deskundige (maatwerkregeling);
  • Het Basiscontract beschrijft de wijze waarop de bedrijfsarts en/of de gecertificeerde deskundige doeltreffend uitvoering kunnen geven aan ten minste de volgende (verplichte) elementen:
    • Verzuimbegeleiding: de bedrijfsarts adviseert bij de begeleiding van werknemers die door ziekte niet in staat zijn hun arbeid te verrichten.
    • Toetsen van en adviseren over de RI&E (bedrijven met meer dan 25 werknemers en/of geen branche-RI&E).
    • PAGO: de bedrijfsarts adviseert over het opzetten en uitvoeren van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek zoals bedoeld in artikel 18.
    • Aanstellingskeuring: de bedrijfsarts adviseert over de noodzaak van het uitvoeren van de aanstellingskeuring.
    • Consultatie: een voor de werknemers doeltreffende toegang tot de bedrijfsarts (arbeidsomstandighedenspreekuur), ook voor de werknemer die niet verzuimt;
    • Bezoek aan de werkplek: de bedrijfsarts kan onbelemmerd de werkplekken bezoeken en individueel werkplekonderzoek doen.
    • Second opinion: mogelijkheid voor werknemers om een andere bedrijfsarts te raadplegen over de gegeven adviezen rondom begeleiding, reïntegratie en overige medische zaken.
    • Klachtenprocedure: de bedrijfsarts of arbodienst heeft een duidelijke procedure die beschrijft hoe en waar de werknemer eventuele klachten kan indienen over de dienstverlening door de bedrijfsarts.
    • Melden beroepsziekten: de bedrijfsarts kan tijd besteden aan het opsporen, onderkennen, diagnosticeren en melden van arbeidsgerelateerde aandoeningen en beroepsziekten.
    • Overleg met OR en preventiemedewerker: de bedrijfsarts en andere kerndeskundigen werken nauw samen met de preventiemedewerker en de OR/PVT bij te nemen, genomen en uitgevoerde maatregelen gericht op een zo goed mogelijk arbobeleid.
    • Preventieve maatregelen: de bedrijfsarts adviseert over preventieve maatregelen voor het algemeen arbeidsomstandighedenbeleid en de RI&E.

In het contract is omschreven hoe hier invulling aan wordt gegeven en met hoeveel uren en welk bedrag hiervoor begroot zijn.

 

Toestemming maatwerkregeling

Er dient schriftelijke toestemming van de OR/PVT voor het toepassen van de zogenaamde maatwerkregeling te zijn.
Deze toestemming kan ook schriftelijk in de CAO geregeld zijn. Als de toestemming aanwezig is hoeft de werkgever de vijf verplichte taken niet bij een gecertificeerde arbodienst af te nemen. Het ontbreken van de toestemming is op zichzelf niet beboetbaar. Maar als toestemming ontbreekt moet men voor de uitvoering van het basiscontract dus aangesloten zijn bij een gecertificeerde arbodienst.

Sluit Menu